Context

In de oudheid ontstond de nood aan het vastleggen van gegevens. De mens werd sedentair en een maatschappij drong zich op. Rond 3100 v. Chr. ontwikkelde zich het eerste schrift in Sumer (in het zuiden tussen Tigris en Eufraat): het spijkerschrift. Met een stylus werd een spijker-vorm op een natte kleitablet gedrukt; eerst letterlijke beeltenissen van dieren, daarna abstracte vormen die van links naar rechts werden aangebracht. Van 2613 tot 2160 v. Chr. evolueerde een tweede schrift, de hiërogliefen of heilige inscripties. Het was een combinatie van tekeningen, pictogrammen en rebussen. In de hoogtijd bestonden ongeveer 7000 verschillende tekens.

007
spijkerschrift
008
hiërogliefen schrift

Hiërogliefen waren omslachtig om telkens opnieuw te tekenen waardoor het hiëratisch ontstond, een vlotter schrift dat zich sneller en beter liet schrijven op papyrus (de voorloper van papier). Uit het hiëratisch schrift ontstond het demotisch schrift of schrift van het volk, bestaande uit verkorte tekens in cursief. Jean-François Champollion kon met behulp van de steen van Rosetta de hiërogliefen ontcijferen, op de steen stond éénzelfde tekst in Grieks, hiërogliefen en hiëratisch schrift. De steen dateert van 196 v. Chr. en was gegraveerd in Egypte, werd ontdekt in 1799 en pas ontcijferd in 1822. Wereldwijd kende het schrift een gelijkaardige evolutie. Het Aziatische schrift bleef echter in een picto- en ideografische vorm aangevuld met fonogrammen en ontwikkelde zich verder los van de rest van de wereld.

041
steen van Rosetta

Het schrift dat aan de basis lag van ons schrift, het Latijn, evolueerde via het Proto-Sinaïtisch naar het Fenicisch. In Sinaï bevindt zich de schakel tussen de hiërogliefen en het Fenicisch. Ook Arabisch, Armeens en Cyrillisch vinden dezelfde oorsprong. Het alfabet bevat 24 verschillende tekens, aleph (rund) en bet (huis) waren de eerste twee letters van dat alfabet.

009
hiëratisch schrift
010
demotisch schrift

Omstreeks 500 v. Chr. ontstond het vroege Grieks. De Grieken namen het alfabet van de Feniciërs over maar voegden er klinkers aan toe om verwarring te voorkomen. Er werd afwisselend van links naar rechts en van rechts naar link geschreven (boustrophedon- of ossenploegschrift). De richting van het schrift wijzigde in de evolutie van het schrift zonder noemenswaardige redenen. De Romeinen kopieerden het Grieks rond 200 v. Chr. en gebruikten het om te graveren in steen, de letters waren allemaal even breed en schreefloos. Pas in de eerste eeuw na Christus kregen de letters schreven omdat ze met een penseel werden voorgeschilderd. Deze letters werden gebruikt om monumenten te sieren. De capitalis monumentalis is uiteindelijk amper gewijzigd en wordt vandaag nog steeds als kapitaalletter gebruikt.

038
oud Grieks
037
capitalis monumentalis — Trajan-zuil

Het handschrift werd gebaseerd op die inscriptieletters, met de brede pen (veer) werd de vorm geïmiteerd. Naast de kapitaalletters werd ook de unciaal gebruikt, geleende letters uit het Grieks. De naam komt van uncia, wat de maateenheid is voor de hoogte van de letters in de vroege manuscripten. Uit de unciaal groeit de half-unicaal en zo ontstonden rond 600 n. Chr. ascenders en descenders. Na de val van het West-Romeinse rijk overleefd het schrift slechts in kloosters wat de ontwikkeling sterk verbrokkelde.

039
unciaal
040
half-unciaal

Karel de Grootte, wie zelf ongeletterd was, zorgde voor de heropkomst van het schrift. De Carolingische minuskel werd geboren, een schrift met punctuatie, spaties en kapitalen aan het begin van een zin. Het is dit schrift dat uiteindelijk langzaam zal vervormen naar de Gotische lettervorm.

Wereldwijd evolueerde het schrift verder onafhankelijk van elkaar met het Latijns als meest verspreide vorm. Verder onderscheiden we Cyrillisch in Rusland, Arabisch en Hebreeuws in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, Hanzi in China en kleinere schriftgroepen als Grieks, Armeens en Georgisch in Europa; Ge’ez en Tifinagh in Afrika; Cherokee en Inuktitut in Amerika; Thaa, Tibetaans, Gurmukhi, Devanagari, Gujarati, Bengaals, Odia, Kannada, Telugu, Malayalam, Tamil en Singalees in Zuid-West-Azië en Mongools, Hangul, Birmees, Yi, Thai, Buginees, Khmer, Laotiaans, Kanji, Hiragana en Katakana in Oost-Azië.

De gotiek, spottend zo genoemd door de Italianen, is niet afkomstig van de goten of de barbaren, maar werd zo genoemd omdat het niet zijn oorsprong bij de Romeinen vond. De Gotische letters zijn samengesteld uit meerdere delen, door de pen op te heffen. De verticaliteit is de basisidee van deze stijl. Er worden meerdere soorten Gotische letters ontwikkeld: de belangrijkste zijn de textura, rotunda, schwabacher en fraktur. De gotiek is op zijn hoogtepunt als in Italië de renaissance, wedergeboorte van de antieke tijd, geïntroduceerd wordt. Johannes Gutenberg, edelsmid te Mainz in Duitsland, combineert enkele technieken om tot de uitvinding te komen van de boekdrukkunst. Met een pers, zelfgemaakte verwisselbare losse loden letters (een legering van lood, tin, antimoon en koper) en perkament drukte hij als eerste verschillende teksten. De drukkunst werd reeds eerder beoefend maar steeds met houten blokken waar prent en tekst in uit gesneden werden. De uitvinding van Gutenberg bestaat vooral in de verfijning van de techniek, de losse letters en de legering van het metaal. In 1455 drukt Gutenberg de 42-regelige bijbel; het is een meesterwerk in zijn soort dat, zal later blijken, nooit zal worden evenaard. De letters voor deze bijbel werden gekopieerd van het Gotische schrift met als doel het manuscript te imiteren. Op éénzelfde pagina komen meerder verschillende ‘e’-vormen voor om het kopie zo exact mogelijk te maken.

042
textura, rotunda, schwabacher en fraktur
de tweeënveertige Gutenberg Bijbel
de tweeënveertig regelige Gutenberg Bijbel

De duivelse techniek van de boekdrukkunst werd echter niet door iedereen zomaar overgenomen. De monniken zagen hun devote werk verdwijnen. De kerk probeerde controle te krijgen over wat er gedrukt werd. De leermeester van Claude Garamond (één van de belangrijkste lettersnijders uit de geschiedenis van de boekdrukkunst), Antoine Augereau, werd terechtgesteld en levend verbrand omdat hij verboden pamfletten had gedrukt. Toch verdrukte de boekdrukkunst langzamerhand het manuscript en zorgde voor een grotere verspreiding van literatuur, waaronder ook occulte teksten.

Sweynheim en Pannartz waren de eerste die de drukkunst in Italië introduceerden in 1464, eerst in een klooster te Subiaco en daarna in Rome. In tegenstelling tot Gutenberg die zijn letters letterlijk kopieerde uit de gotische manuscripten stapten zij af van de gotiek in de lettervorm en baseerden zich op het humanistisch schrift. Dat schrift was samengesteld uit de capitalis monumentalis en de Carolingische minuskel. De ene was een in steen gehakte, de andere een handgeschreven letter. Deze nieuwe lettervormen werden ‘romeinen’ genoemd.

drukletters van Schweinheim en Pannatz
drukletters van Sweynheim en Pannartz

In 1469 werd het éérste boek gedrukt door Giovanni da Spira, Epistolae ad Familiares van Cicero. De afdruk week echter af van de origineel gegraveerde lettervorm omdat het papier door zijn ruwheid nog geen haarscherpe afdrukken kon weergeven. Het zou duren tot in de 18e eeuw toen John Baskerville voor zijn fijne letters een glad velijnpapier liet ontwikkelen.

Het is Nicolas Jenson, een Italiaanse goudsmid die het lettersnijden in Duitsland leerde, die de definitieve vorm van de romeinletters heeft bepaald. De door hem in 1470 gesneden letters zijn nog steeds de basis voor nieuwe lettertypes. Toch is duidelijk te zien dat deze letters nog gotische kenmerken in zich dragen.

Nicolas Jenson
Nicolas Jenson

Vijftien jaar na de dood van Jenson richtte Aldus Manutius een uitgeverij op, Francesco Griffo zorgde voor de letters. Griffo sneed onder andere de Bembo, genaamd naar de auteur van De Aetna, en de Pholiphilus voor de Hypnerotomachia Poliphili in 1499 (Francesco da Colonna).

043
de italic van Ludovico Arrighi

In 1499 sneed Griffo ook de eerste italic in opdracht van Manutius omdat deze minder ruimte innam op papier. Deze italic, ontworpen door Ludovico Arrighi was geen onderdeel van een ander found maar een op zich staand lettertype, weliswaar zonder kapitalen. Het Chancery manuscript was de basis voor deze nieuwe vormsoort. Chancery is een middeleeuws bureau dat zich bezighield met het schrijven van officiële documenten. De boeken die met deze letters werden gezet waren de voorlopers van de pocket-roman, kleine boekjes met veel tekst.

De boeken tot dan toe gedrukt, voor 1500, worden incunabelen genoemd. Daarna floreert de boekdrukkunst en wordt meer toegankelijk, ook voor leken. Er worden verschillende lettertypes ontwikkeld, maar de techniek voor lettervervaardiging en afdruk blijft nagenoeg ongewijzigd tot in de 19e eeuw.

Licence Creative Commons